“Waar ik mij wend, Gij staat op wacht,

Uw hand rust altijd op mijn schouder.”

(Psalm 139)

 

In dit vertrouwen is heden overleden onze beminde medezuster en tante

 

zr Majella voor rome

 

 Zuster Majella

Martha Francisca Laan
Franciscanes van Aerdenhout

 

 

 

Geboren op 28 januari 1927 te Wervershoof
Overleden op 18 december 2018 te Aerdenhout
Zij was 76 jaar lid van onze Congregatie.

                                                           

Overweging voor zuster Majella                  

In de laatste periode van haar leven kon je zr. Majella vaak vinden hier in het Atrium of zittend op het bankje in de hal. Daar zat ze graag. Je kon zien dat ze aan het mijmeren was. En als ik haar daar naar vroeg, dan bevestigde ze, dat gedachten en herinneringen ongehinderd door haar heen stroomden.

Tijdens een van haar mijmeringen – buiten, in de natuur - zag ze haar situatie weerspiegeld in een begroeide boomstronk: oud, maar niet zonder groeikracht. Die groeikracht toonde ze in haar leven als religieuze en in de wijze waarop zij in de gemeenschap aanwezig was. Die groeikracht toonde zich in de wijze waarop zij, tot op het laatst, gezocht heeft naar de warmte van de woorden die zij overgeleverd kreeg uit de christelijke traditie. Daarom heb ik voor haar uitvaart het verhaal gekozen van de aankondiging: de engel Gabriel die Maria gaat vertellen dat zij de moeder zal worden van Jezus. En niet alleen omdat dit een Adventsverhaal is maar vooral omdat het leven van zr. Majella verbonden is met een diepere betekenislaag van dit Bijbelverhaal. Want het gaat hierin om méér dan een aangekondigde zwangerschap. Het gaat ten diepste om een mens die zich open wil stellen voor het Woord van God - voor woorden-van-bij-God -, om deze woorden binnen te laten en ze te verwarmen tot levensvatbaarheid. Zr. Majella was zo’n mens. Tot op hoge leeftijd is zij blijven zoeken naar de warmte van deze woorden en die vervolgens uit te dragen in haar omgeving.

Eén van die grondwoorden-van-bij-God is het woord liefde. De warmte van dat woord had ze thuis, in dat grote gezin, leren kennen. In een verhaal van maar één regel wist ze dat tot uitdrukking te brengen: het verhaal van vader die met een boog (langs al die kinderen) door de kamer liep om moeder een zoen te geven en de kinderen die dat maar gek vonden waarop vader dan zei: ‘ja, maar ik houd zo van moeder’. Dit, voor die tijd wellicht ongebruikelijke kleine gebaar van liefde, maakte op haar grote indruk en is haar de rest van haar leven bijgebleven.

Ze keek dan ook naar de gemeenschap met een liefdevolle blik. Ze benadrukte het belang van oog hebben voor elkaar, hartelijkheid en van complimenten geven. Dat had ze allang door voordat er een Nationale Complimentendag werd ingesteld. Het was ook die liefdevolle blik die haar tot het inzicht bracht dat het in de gemeenschap allemaal wel menselijk mocht blijven. Ze was niet alleen tégen volmaaktheid maar ze vond volmaaktheid eigenlijk maar saai. Ze zag het onvolmaakte uitdrukkelijk niet als iets waar je voor zou moeten worden afgestraft. Haperen en schuren waren voor haar mógelijkheden, om zelf én als gemeenschap verder te komen. Om zo, zoals ze zei, dichter bij de kern te komen van waaruit je wilt leven. Het menselijk tekort, vond ze, moet er zijn en moet er blijven. Het is ervoor om naar jezélf te kijken; het is ervoor, zei zr. Majella, om zélf te kunnen groeien in mildheid en tolerantie. ‘De Heer, zei ze dan fijntjes, blijft vragen en eisen!’

Oud? Ja. Maar niet zonder de groeikracht, die haar aanspoorde te blijven zoeken naar de warmte van de woorden die haar zo dierbaar waren.

Dit betekent overigens niet dat zr. Majella God altijd nabij wist. Terugkijkend naar waar het leven moeilijk was, sprak ze over spirituele armoede. Ze was open en eerlijk over de periodes in haar leven waar God afwezig was. Maar ook in die moeilijk tijden bleef ze zoeken naar verbondenheid met Hem. En ze ging beseffen dat je dit niet kunt afdwingen maar rustig moet afwachten.

Tijdens de laatste maanden van haar leven sprak ze opnieuw over God als haar vriend en buurman en over Christus als degene die met haar meeliep. Waar ik mij wend, Gij staat op wacht, uw hand rust op mijn schouder: woorden uit de eerste lezing uit psalm 139, de woorden die ook op haar rouwkaart staan.

Ze vond opnieuw al biddend haar weg. Voor haar was bidden niet met de handen gevouwen gebeden opzeggen maar een instelling, een manier van leven. Ze voelde zich van binnen rustig. Ik ben bijna 95, zei ze, en ik kan zo de hemel in. En als ze bij het uitbellen niet alles meer kon verstaan zei ze: Och, wat ik niet hoor, dat is naar de eeuwigheid… Over oud en groeikracht gesproken…

Een paar maanden voor haar dood, in de Mariakapel keken we naar een bloem die zr. José had meegebracht. Zr. Majella zei toen: zo mooi, het brengt je tot gebed. En ze vergeleek de bloem met de ziel: sommige kleine knopjes zijn nog dicht, andere zijn een beetje open en de bovenste zijn helemaal tot bloei gekomen. Zo, zei ze, is God bezig met de ziel en dan worden we gebroken geplukt om tot bloei te komen. We horen hier opnieuw een kerngedachte uit haar leven: niet door te streven naar volmaaktheid maar slechts vanuit en door gebrokenheid komen we tot bloei.

De bloem die zr. Majella zelf was, is hier nu uitgebloeid. Geplukt door God en bij Hem mag ze verder bloeien.

                                                              

Go to top